Laat je nakijken
Mariëlle Boersen • 1 juli 2017
Het was laatst weer in het nieuws: jongens worden te weinig opgevoed door mannen, zowel in de kinderopvang als in het onderwijs. Nog slechts 13 % van de leerkrachten is man. Bij de kinderopvang is dit nog geen 1 %. Zo ontbreekt, zegt men, voor jongens een rolmodel.
Jongens dienen zich steeds maar weer aan te passen aan de verwachtingen van de vrouwelijke leerkracht of leidster. En, zonder in vooroordelen te willen vervallen, vrouwen zijn in het algemeen wat rustiger van aard en druk gedrag van jongens wordt door hen vaak minder goed begrepen dan door mannen. Jongens die op het schoolplein in een boom willen klimmen, worden teruggefloten, want dat is te gevaarlijk. Lekker buiten met modder gooien, met stokken slaan, oei. Van kinderen wordt verwacht dat ze netjes in de klas zitten, hun mond houden en braaf doen wat er van hun gevraagd wordt. Niks rondrennen, schreeuwen of je krachten meten met een ander.
Nu snap ik dat je als leerkracht je programma wilt draaien, je wilt ze voorbereiden op het leven en dat ze goede resultaten halen. Ikzelf, vrouw, houd ook meer van rust en vind het ook fijner als kinderen naar me luisteren dan dat ze ervandoor gaan om elkaar de hersens in te slaan. Maar jongens zijn niet voor niets jongens. Ze zitten anders in elkaar dan meisjes. Tot 12 jaar kunnen jongens zich minder lang concentreren dan meisjes. Daarnaast hebben ze veel beweging nodig. Ze, de meesten, hebben behoefte aan fysiek gedrag, zijn jarenlang bezig met hun grove motoriek en houden niet van dat gepriegel met de fijne motoriek.
Echter, drukke jongens lijken wel niet toegestaan. Die worden continu teruggefloten, gewaarschuwd, en gekneed in een keurslijf van brave gehoorzaamheid. En als dit niet lukt, dan gaat er een etiket op hun voorhoofd: ADHD. Wat overigens niet wegneemt dat er ook meisjes zijn met ADHD. Naar schatting heeft 2 tot 6 procent van de jeugd ADHD en betreft dit vaker jongens dan meisjes.
Gelukkig waken de meeste leerkrachten en leidsters er wel voor om dit etiket op een kinds hoofd te plakken. Ze zijn geen psycholoog of psychiater en dienen zich te beperken tot het bespreken van wat ze waargenomen hebben. Ze hebben een signaalfunctie. Afwijkend gedrag dient gesignaleerd, besproken en eventueel verder onderzocht te worden. Daarbij wil ik er dus wel voor waarschuwen iets niet te snel als afwijkend te bestempelen.
Gesprekken voeren met ouders over het afwijkende gedrag van hun kind is niet makkelijk. Je hierin oefenen is geen overbodige luxe. Vragen die je jezelf bij zo'n gesprek kunt stellen, zijn o.a.: In hoeverre is er hier sprake van afwijkend gedrag? Wat is afwijkend en wat is de norm? Is de insteek van het gesprek het brengen van slecht nieuws of het uiten van zorg of iets anders? Hoe geef je aan dat je iets gesignaleerd hebt zonder dit direct als problematisch te benoemen? In hoeverre is afwijkend gedrag problematisch? Wat is het probleem dan? Wanneer besluit je gedrag met ouders te bespreken? En hoe doe je dat dan?
Bijgaand de sketch
die ik samen met collega Majanka namens Parenticom (trainingsbureau voor kinderopvang en basisonderwijs) bij een voorschoolse opvang voorafgaand aan een training heb opgevoerd. Als 'leidster' heb ik hier een lekker direct gesprek met 'een ouder' gevoerd, alles gezegd wat in me opkwam en wat me stoorde, gezegd dat ze het kind moesten laten nakijken, etiket erop en helemaal tevreden het gesprek afgerond. Na deze sketch mocht het publiek, via het regiemodel, aangeven hoe het gesprek beter kon. Leuk om te merken hoe betrokken iedereen is als ze zien hoe het fout gaat in zo'n gesprek. Ik vind het altijd leuk, en waardevol, om dingen fout voor te doen. Je gaat het pas zien als het er niet is, als het ware. Of ben ik nu afwijkend, moet ik me laten nakijken?

Elk kind heeft dezelfde vijf basisbehoeften. Als hier niet aan wordt voldaan, past een kind zich aan om de situatie zo goed mogelijk te doorstaan. Zo ontstaan er een onbewuste adaptieve overlevingsstijlen die als kind functioneel waren, maar die je als volwassene kunnen belemmeren. We onderscheiden de volgende tekorten in basisbehoeften en de daarbij behorende overlevingsstijlen: Verbinding: Je raakt het contact met je lichaam en emoties kwijt, waardoor het moeilijk wordt om relaties aan te gaan. A fstemming: Je negeert je eigen behoeften of weet niet goed wat je nodig hebt. Vertrouwen: Je hebt moeite met vertrouwen en afhankelijkheid, waardoor je het lastig vindt hulp te vragen of steun te ontvangen. Autonomie: Grenzen aangeven voelt bedreigend, je durft geen nee te zeggen of je mening te uiten zonder schuld of angst. Liefde-seksualiteit: Je hebt moeite met het openen van je hart en het aangaan van liefdevolle, vitale relaties. Het NeuroAffective Relational Model (NARM) kijkt functioneel naar het verleden: alleen wanneer oude pijn het heden belemmert, wordt dit onderzocht. Zo ontstaat ruimte voor herstel en groei, zonder te blijven hangen in het verleden. In een sessie word je uitgenodigd om een actuele situatie te onderzoeken waarin je vastloop t . Samen onderzoeken w e wat je lichamelijk en emotioneel ervaart—misschien voel je spanning in je buik of een terugtrekkende beweging. De kunst is deze gevoelens te erkennen zonder oordeel , maar mild en met aandacht. Zo kun je ontdekken welke oude overlevingsstrategie zich nu aandient (bijvoorbeeld: jezelf afsluiten om pijn te vermijden). Door in het moment stil te staan bij wat je werkelijk nodig hebt, ontstaat meer helderheid. H et helpt om dan een kleine stap te zetten, zoals het benoemen van je behoefte aan verbinding, en te ervaren dat het veilig is dit uit te spreken. Zo word en in een sessie niet alleen patronen inzichtelijk gemaakt, maar wordt er ook ruimte gecreëerd om vanuit het nu te kiezen voor meer authenticiteit en contact, voor heling en groei. Bron en boekentip: Ontwikkelingstrauma helen, Laurence Heller

Soms is het moeilijk onder woorden te brengen waar je mee zit. Of je wilt niet herbeleven wat je zo geraakt heeft. Of je zit met trauma's uit een periode waarin je nog geen taal had. Dan is het fijn om een verwerkingsmethode te hebben die met het pre-verbale en pre-cognitieve deel van je hersenen werkt. Brainspotting werkt met dit onderbewuste deel van je brein om trauma's en andere diepgewortelde blokkades te verwerken en te helen. Brainspotting is een hersengebaseerde therapie die door dr. David Grand, trauma-expert, is ontwikkeld vanuit EMDR. Door middel van bepaalde oogposities wordt er verbinding gemaakt met het brein en het lichaam. Het klinkt misschien vreemd, maar door te kijken naar het puntje van een aanwijsstok, komen er processen op gang die helpen bij de verwerking van oud zeer en trauma's. Traumatische ervaringen zijn ervaringen die op dat moment niet verwerkt konden worden en die als het ware in een soort capsule in het brein bewaard worden om op een later moment te verwerken. Bij brainspotting kun je door de oogposities toegang krijgen tot die capsules. De verwerking is op onbewust niveau, gaat vaak in golven en kan bestaan uit tranen, boosheid, oogbewegingen, schokkerige bewegingen, een misselijk gevoel, gapen, etc. Hoe de verwerking zich uit, verschilt per persoon en per keer. De verwerking gaat na een sessie vaak nog door. Het mooie is dat we het niet hoeven te begrijpen en het niet kunnen sturen. Het limbische systeem neemt het van ons over en verwerkt alsnog wat vroeger niet verwerkt kon worden. De laatste jaren wordt er steeds meer onderzoek naar deze methode gedaan en komt er steeds meer erkenning voor. Mocht je interesse hebben een brainspotting sessie te ondergaan, laat het me weten.